Selecteer een pagina

Zelforganisatie

Onze steden kennen verschillende vormen van zelforganisatie, van groenprojecten tot complete wooncomplexen. De meeste zelforganisatieprojecten zijn deels of geheel vanuit externe partijen geïnitieerd of gestimuleerd. Deze externe partijen zijn bijvoorbeeld projectbureaus, subsidiestromen of lokale actieve groepen, vaak opgezet door vakspecialisten. Er zijn tevens steeds meer voorbeelden van zelforganisatieprojecten welke organisch zijn ontstaan vanuit de lokale bewoners. De verschillen in zelforganisatievormen vormen de fundering voor een interessant onderzoek waarin zelforganisatie vanuit een zelfgeorganiseerde groep bewoners tegenover zelforganisatie ingezet vanuit externe partijen centraal staat. Tevens wordt gekeken naar de manier waarop deze laatste vorm leidt tot stedelijke vernieuwing wanneer geleerd wordt van deze organische zelforganisatievorm op de lange termijn.

Vernieuwen zal anders moeten. Zo schrijft Olof van de Wal van Platform31: ‘Grote programma’s waarin hele wijken integraal aangepakt worden, zullen plaats moeten maken voor een strategie waarin verschillende initiatiefnemers de ruimte krijgen om voorstellen te doen en te realiseren.’ Ook stadssocioloog Arnold Reijndorp geeft aan dat er nieuwe vormen van stedelijke vernieuwing nodig zijn. Hij pleit voor het ont-wijken en depolitiseren van de stedelijke vernieuwing. Hiervoor is volgens hem een nieuwe professional nodig die ruimte maakt, maar niet zelf invult. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid geeft aan dat er een algemene verandering gaande is richting zelforganisatie. Zij noemen het de doe-democratie, die concreet en praktisch is ingesteld. Uniek aan de doe-democratie noemt de WRR dat deze a-politiek is.

Ook binnen de politiek is er besef van deze nieuwe vormen van stedelijke vernieuwing. Zo stelt de voormalig Wethouder Duurzame Ruimtelijke Ontwikkeling van Almere, nu eerste Kamerlid, Adri Duivesteijn, vast dat de burger gedemocratiseerd, geëmancipeerd en geschoold is en, meer dan vroeger, in staat is tot het nemen van een grotere verantwoordelijkheid voor het eigen wonen. Hij geeft aan dat de tijd daar is om ‘[…] op het beleidsterrein van het wonen, te komen tot een fundamentele verschuiving van verantwoordelijkheden’. Zelforganisatie wordt meer en meer (h)erkend als een nieuwe vorm van stedelijke ontwikkeling. In dit onderzoek wordt een viertal verschillende vormen van zelforganisatie belicht. Hierbij staan concrete en kennis verbredende vragen centraal: wat zijn de motivaties geweest van deze burgerinitiatieven, hoe zijn ze tot stand gekomen, welke factoren zijn obstakels voor zelforganisatiegroepen, wat kunnen zijzelf en andere groepen hiervan leren en hoe kunnen externe partijen de gewilde zelforganisatie het beste aanwentelen?

Buurland Utrecht -www.buurland.nl

Dit onderzoek is opgezet met het budget van Platform31 voor onderzoek naar stedelijke vernieuwing via zelforganisatie. Wat betekent zelforganisatie voor de stedelijke vernieuwing? De tijden veranderen, coalitieakkoorden gaan over het samen doen, samen denken en samen ontwikkelen. Gemeenten willen en moeten steeds meer naar buiten kijken. Zij moeten de autoramen opendraaien en in de trage file van gebiedsontwikkeling met steeds meer partijen samenwerken om ergens te komen. De weg wordt steeds drukker en niet alleen commerciële partijen maar ook bewoners weten dondersgoed wat ze willen. Zij willen niet alleen op de achterbank van de gemeente zo nu en dan zeggen dat een project volgens hen groen licht krijgt, of een beetje bijsturen vanuit de passagiersstoel omdat de bestuurder niet oplet. Nee, zij willen zelf voorop in de stoet, hun eigen richting op gaan. Hier liggen enorme verschuivingen en uitdagingen, want er is nog geen navigatie voor alle betrokken partijen. De gemeente doet op goed geluk de deur open en kijkt nog redelijk passief wie er naast haar komt zitten. Ze luistert en geeft kaders, maar het gesprek op een gelijkwaardig niveau voeren is nog lastig. Zelf instappen in de bus van zelforganisatiegroepen is natuurlijk ook eng.

Onbekende risico’s en nieuwe gezichten, een nieuwe taal. Een gemeente of corporatie moet leren dat zij in normale mensentaal hun mogelijkheden moet uitleggen aan burgers met een droom. En die burgers moeten zich steeds meer als een marktpartij gaan gedragen, wat wellicht onwennig is in het begin. Want hoewel een droom heel veel kracht en energie geeft, moet er een vertaalslag worden gemaakt naar het denk- en beslissingsniveau van instellingen waarvan zij de inhoudelijke processen niet kennen. Het gesprek aangaan is het begin van wederzijds begrip. Zelforganisatiegroepen kunnen zich niet zo makkelijk inleven in de geïnstitutionaliseerde wereld, en vice versa.

Het is echter niet alleen zenden en luisteren; groepen moeten zich afvragen: ‘Wat heeft de gemeente, grondeigenaar of corporatie van mij nodig om een goede beslissing over mij te kunnen maken?’ De gemeente, grondeigenaar of corporatie moet op haar beurt bedenken dat niet alle plannen zomaar binnen de gezette kaders passen, maar wel veel kansen kunnen bieden omdat mensen steeds meer kunnen, willen en durven dromen over een woonwens. Het is nu zaak dat we minder in onze eigen wereld verblijven maar in de file ook eens van auto wisselen en naar elkaar luisteren en bedenken wat die ander nu precies nodig heeft om verder te komen. Want die stedelijke vernieuwing kan niemand alleen in gang zetten of houden, en dat moeten we ook eigenlijk helemaal niet willen. Als we allemaal met elkaar in gesprek gaan en bij elkaar in de auto stappen is er geen file meer en kunnen we sneller en daadkrachtiger vooruit. Dat is toch voor iedereen beter!